Waarom de IHRA-definitie afwijzen?

De IHRA-definitie is vaag, partijdig en misleidend, bedreigt de vrijheid van meningsuiting, onderdrukt Palestijnen, en beschermt Joden niet! Lees hier waarom.

In 2016 nam de IHRA, de International Holocaust Remembrance Association, een “niet-juridisch bindende werkdefinitie van antisemitisme” aan, de IHRA-definitie. Deze definitie wordt vaak gepresenteerd als een nuttig instrument om vast te stellen of iets wel of geen antisemitisme is, vooral als het om kritiek of vijandigheid jegens Israël gaat. Daar is zij echter, vanwege haar partijdigheid, een zeer slecht instrument voor.

Banksy - VVM onder voorwaarden

De IHRA-definitie wordt veel gebruikt als wapen om critici van Israëls bezetting en structurele onderdrukking van de Palestijnen valselijk van antisemitisme te beschuldigen, en hen zo de mond te snoeren. Met de IHRA-definitie in de hand kunnen autoriteiten gemakkelijker onder druk gezet worden om de vrijheid van meningsuiting in te perken en wordt een klimaat gecreëerd waarin kritiek op Israël riskant is voor je reputatie. Zo kan de bezetting eindeloos voortduren, en kan Israël de toenemende roep om gelijkwaardigheid voor Palestijnen blijven negeren. Voor de bestrijding van antisemitisme is de IHRA definitie niet nodig en is zij eerder contraproductief. We kunnen de IHRA-definitie daarom beter niet gebruiken.

Bovenstaande beweringen worden hieronder aan de hand van een top 12 van argumenten tegen de IHRA-definitie besproken. Er wordt afgesloten met een conclusie en een Vraag & Antwoord sectie met meer uitleg, meer achtergronden, en verwijzingen naar nog meer informatie, waaronder adviezen voor tegenactie.

Twaalf argumenten tegen de IHRA-definitie

De IHRA-definitie luidt:

“Antisemitisme is een bepaald beeld van Joden, dat zich kan uiten als haat tegen Joden. Retorische en fysieke uitingen van antisemitisme worden gericht tegen Joden of niet-Joden en/of hun bezittingen, tegen instellingen van de Joodse Gemeenschap, en religieuze voorzieningen.”

Deze definitie is duidelijk incompleet. Discriminatie, onderdrukking, geweld, ontmenselijking, afkeer, en vooroordelen zijn allemaal mogelijke uitingsvormen van antisemitisme, terwijl de definitie alleen maar haat noemt. Volgens expert Peter Ullrich “benadrukt [de definitie] enkele antisemitische verschijnselen door ze expliciet te noemen, terwijl andere belangrijke aspecten grotendeels worden weggelaten.” Een Zwitserse juridische evaluatie stelt dat “de term ‘haat’ mogelijk de definitiedrempel voor antisemitisme verhoogt t.o.v. de meer algemeen gebruikte term ‘vijandigheid’, aangezien haat een duidelijk sterker negatieve emotie is.”

Nog erger is dat de IHRA-definitie niet doet wat een normale definitie doet, namelijk duidelijkheid bieden over wat iets is. Wat is “een bepaald beeld”? Moeten we daar maar naar raden? Tegen wie is antisemitisme gericht? “tegen Joden of niet-Joden”. Het kan kennelijk tegen iedereen zijn. Het probleem van de vaagheid van de definitie wordt niet opgelost door de voorbeelden bij de definitie, omdat in de toelichting wordt gesteld dat dit geen voorbeelden van antisemitisme zijn, maar voorbeelden van wat “de context in overweging genomen” antisemitisme kan zijn, maar het dus niet hoeft te zijn. De voorbeelden geven geen uitsluitsel maar alleen maar meer onduidelijkheid.

Zoals Jamie Stern-Weiner in zijn onderzoeksrapport over de IHRA-definitie opmerkt hechten ook de hoofdopsteller, Kenneth Stern, en de belangrijkste promotors van de definitie, Mark Weitzman en Andrew Baker, weinig waarde aan de kerndefinitie. Stern noemt haar een “preambule” die “niet echt veel zegt”, en Weitzman noemt haar “totaal gecastreerd [en] … losgemaakt van elke huidige realiteit”. De voorbeelden vinden ze echter wel belangrijk. Baker stelde: “in wezen is de definitie de voorbeelden”. Als je de voorbeelden gelijk stelt aan antisemitisme, zoals pro-Israël-organisaties steevast doen, heb je natuurlijk een krachtig wapen gekregen om legitieme kritiek op Israël te onderdrukken met valse beschuldigingen van antisemitisme. 

Bij de IHRA-definitie worden elf voorbeelden gegeven van wat mogelijk antisemitisme kan zijn. Zeven daarvan noemen Israël. Zij omvatten niet alleen antisemitisme, maar ook uitingen van legitieme kritiek op Israël en niet-antisemitische vijandigheid jegens Israël. Volgens minister Grapperhaus worden “een aantal voorbeelden dat de IHRA aandraagt … in beginsel beschermd … door de vrijheid van meningsuiting.” De IHRA-definitie creëert dus met brede en vage formuleringen een groot grijs gebied van overlap tussen antisemitisme en kritiek op Israël.

Automatisch antisemitisch

De voorbeelden zijn volgens de toelichting bij de IHRA-definitie niet automatisch antisemitisch, maar alleen als dat uit de context blijkt. De context van een uiting van mogelijk antisemitisme moet dus altijd worden onderzocht om te bepalen of er sprake is van haat jegens Joden. Vaak wordt echter aangenomen, zeker door Israël-sympathisanten, dat alle voorbeelden automatisch antisemitisme zijn.

Suggestief op vier manieren

Antony Lerman schrijft dat de voorbeelden antisemitisme kunnen zijn, maar dat de opzet van de definitie en de voorbeelden zo is dat “we worden uitgenodigd om slechts één mogelijkheid te koesteren - dat 'zou kunnen zijn' betekent 'zijn'” Deze interpretatie wordt in de hand gewerkt door de vaagheid en doordat de IHRA-definitie op drie manieren zelf een partijdige context creëert.

Door de vaagheid van de kerndefinitie moeten de voorbeelden uitsluitsel geven, maar dat kunnen ze niet doordat ze slechts voorbeelden van mogelijk antisemitisme zijn. Het is dan verleidelijk om de voorbeelden maar als altijd antisemitisch te interpreteren. Voor tegenargumenten is weinig houvast omdat de kerndefinitie zelf zo vaag is.

De IHRA-definitie moedigt ook op drie andere manieren aan dat kritiek of vijandigheid jegens Israël ten onrechte als antisemitisme bestempeld worden. Deze worden in de volgende drie argumenten, nr. 3 tm. 5, besproken.

Dit doet de IHRA-definitie op meerdere manieren. De eerste is door voorbeelden van klassiek antisemitisme op een lijn te stellen met voorbeelden van kritiek of vijandigheid jegens Israël. Bij de elf voorbeelden die bij de IHRA-definitie genoemd worden zitten een aantal voorbeelden van klassiek antisemitisme die onomstreden voorbeelden van antisemitisme zijn, en waarin de vijandigheid is gericht tegen Joden als intrinsiek onschuldige Joden. Daarnaast staan een aantal Israël-gerelateerde voorbeelden van, afhankelijk van de context, mogelijk antisemitisme waarin de kritiek of vijandigheid heel goed gericht kan zijn tegen Israël als koloniserende en onderdrukkende “Joodse staat”. Door deze twee soorten voorbeelden op één lijn te stellen wordt de suggestie gewekt dat Israël intrinsiek onschuldig is en dat de Israël-gerelateerde voorbeelden altijd antisemitisme zijn.

Juist “als Joods collectief” onderdrukt Israël Palestijnen

De tweede manier waarop onschuld op Israël geprojecteerd wordt is met de zin in de toelichting: “uitingen [van antisemitisme] kunnen ook gericht zijn tegen de staat Israël, opgevat als Joods collectief”. In de context die deze zin schept roept “Joods collectief” het beeld op van Joden als intrinsiek onschuldige slachtoffers van klassiek antisemitisme. Het wrange is dat Israël Palestijnen onderdrukt juist omdat het zichzelf opvat als een Joods collectief. Als het zichzelf zou zien als de staat van alle mensen die op haar grondgebied thuis horen zou er geen enkele reden zijn om Palestijnen weg te jagen, te discrimineren of te onderdrukken. Juist doordat Israël zichzelf ziet als Joods collectief én dit ideaal tracht te realiseren ten koste van de Palestijnen roept het zoveel kritiek en vijandigheid op. Juist dit aspect wordt door deze zin in de IHRA-definitie verdonkeremaand, waardoor de context verbogen wordt, en kritiek of vijandigheid jegens Israël helemaal niet meer goed op hun merites beoordeeld kunnen worden. 

Kritiek of vijandigheid jegens Israël kan alleen maar juist beoordeeld worden als een belangrijke mogelijke oorzaak ervan, Israëls onderdrukking van Palestijnen, als mogelijke context wordt erkend. De IHRA-definitie verzwijgt deze mogelijke context echter totaal. Sterker nog, zij stimuleert actief dat deze context ontkend wordt.

Het gaat hier vooral om de zin “kritiek op Israël die vergelijkbaar is met kritiek tegen een ander land kan niet worden beschouwd als antisemitisch”, maar ook om het voorbeeld “Het hanteren van dubbele standaarden door gedrag van [Israël] te verlangen dat niet verwacht of geëist wordt van enige andere democratische natie”. Beide roepen een beeld op van Israël als een doorsnee land dat helemaal niet ontstaan is uit een kolonisatieproces ten koste van de Palestijnen, dat niet vijf van de zes Palestijnen van binnen de Groene Lijn tot vluchteling heeft gemaakt, dat geen Palestijns gebied bezet en koloniseert, dat geen Palestijnen in de bezette Palestijnse gebieden onderdrukt, dat geen Palestijnse burgers van Israël discrimineert o.a. door tientallen discriminerende wetten, en dat niet door verschillende mensenrechtenorganisaties als een apartheidsregime beschouwd wordt.

Als Israël een doorsnee land is is alleen kritiek vergelijkbaar met kritiek op doorsnee landen legitiem, en zal kritiek die verder gaat dus wel voortkomen uit antisemitisme. De bezetting en Israëls systematische onderdrukking van de Palestijnen bestaan toch niet!?

Onderdrukking verdonkeremanen

Een vergelijking met het Zuid-Afrikaanse apartheidsregime kan dit punt verhelderen. Stel je voor dat dit regime kritiek op apartheid had bestreden met een vage definitie waarbij de toelichting zegt: “Uitingen van anti-blank racisme kunnen ook gericht zijn tegen de staat Zuid-Afrika, opgevat als een blank collectief. Echter, kritiek op Zuid-Afrika die vergelijkbaar is met kritiek tegen een ander land kan niet worden beschouwd als anti-blank racisme.” Dit doet alsof Zuid-Afrika’s onderdrukking van gekleurde en zwarte mensen helemaal niet bestond en helemaal niet relevant was. Het doet alsof de kritiek op die onderdrukking en de vijandigheid die zij opriep maar een oorzaak kan hebben: anti-blank racisme. De IHRA-definitie doet letterlijk hetzelfde met antisemitisme en Israëls onderdrukking van de Palestijnen. Kritiek en vijandigheid jegens deze regimes kan natuurlijk niet juist beoordeeld worden wanneer hun onderdrukkende karakter wordt genegeerd.

Het gaat hier om het zevende IHRA-voorbeeld: “Het Joodse volk haar recht op zelfbeschikking ontzeggen, bijvoorbeeld door te stellen dat het bestaan van een staat Israël een racistische onderneming is.” Elk volk heeft recht op zelfbeschikking, dus het staat buiten kijf dat het antisemitisch is om Joden hun recht op zelfbeschikking te ontzeggen. De toevoeging van de tweede helft van het voorbeeld suggereert echter twee onjuiste en zeer partijdige dingen.

Geen recht op een etnische staat

Ten eerste, als de tweede helft echt een voorbeeld is van de eerste helft dan suggereert dat dat het Joodse recht op zelfbeschikking betekent dat Joden recht hebben op een etnische staat. Maar: geen enkel etnisch volk heeft recht op een staat. Staten horen er te zijn voor iedereen die op haar grondgebied thuis hoort. Israël hoort er dus ook te zijn voor de Palestijnen die er thuis horen, net zoals Diasporastaten er horen te zijn voor de Joden die er thuis horen.

Het recht op zelfbeschikking is door de Verenigde Naties in 1945 opgenomen in haar Handvest in het "beginsel van gelijke rechten en van zelfbeschikking van volken". In 1970 heeft de Algemene Vergadering in resolutie 2525 duidelijker gemaakt wat dit betekent:

“Staten die zich gedragen in overeenstemming met het beginsel van gelijke rechten en van zelfbeschikking van volkeren [... bezitten] een regering die het hele volk vertegenwoordigt dat tot het grondgebied behoort, zonder onderscheid naar ras, geloof of huidskleur.”

Waar de grenzen van het recht op zelfbeschikking van volken precies liggen is zeer onduidelijk (zie bijv. 1, 2). Wel duidelijk is dat het volken het recht geeft om in vrijheid hun etnische identiteit te beleven, maar dat het begrensd wordt door “gelijke rechten” en door het beginsel dat staten er zijn voor alle mensen die op hun grondgebied thuis horen. Het geeft het recht op een staat niet aan etnische volken, maar juist wel aan het territoriale volk, d.w.z. alle mensen die tot een (erkend) grondgebied behoren. Volgens het internationaal recht bestaat er dus geen recht op een etnische staat, maar wel een recht op gelijkwaardigheid.

Een gezaghebbende definitie van antisemitisme, de “Jeruzalem Declaratie”, onderschrijft dit ook:

“Het is niet antisemitisch om regelingen te steunen die volledige gelijkheid toekennen aan alle inwoners ‘tussen de rivier en de zee’, hetzij in twee staten, een binationale staat, een eenheidsdemocratische staat, een federale staat of in welke vorm dan ook.”

Een Joodse staat is dus niet meer dan een zionistisch ideaal, en geen Joods recht, zoals het IHRA-voorbeeld wel suggereert, en omdat dit ideaal botst met Palestijnse rechten is het logisch dat het bekritiseerd mag worden.

Palestijnen hebben ook rechten

De tweede onjuiste suggestie die het IHRA-voorbeeld over zelfbeschikking oproept is dat het zionistische ideaal van een joodse staat belangrijker is dan het recht op zelfbeschikking van de Palestijnen. Als het antisemitisch is om joden het recht op zelfbeschikking te ontzeggen is het uiteraard een vorm van anti-Palestijns racisme om Palestijnen hun recht op zelfbeschikking te ontzeggen. Israël zou echter niet hebben kunnen bestaan zonder de Palestijnen hun recht op zelfbeschikking te ontzeggen.

De Balfour-declaratie ging bijvoorbeeld in tegen het recht op zelfbeschikking van alle inwoners van Palestina, dus inclusief de bijna 10% Joden. Daar waren ook veel Joden onder die het zionisme afwezen. De Nederlandse Jood Jacob Israël de Haan was hun effectieve woordvoerder in de Westerse pers. Hij werd in 1924 in Jeruzalem door zionisten vermoord “want hij wilde ons hele zionistische idee verwoesten”. De bedoeling van de Mandaatgebieden van de Volkerenbond was dat ze langzaam naar zelfbeschikking zouden toegroeien. In Syrië, Irak en Transjordanië werd langzaam naar onafhankelijkheid toegewerkt. Palestina daarentegen kreeg in plaats van geleidelijk meer zelfbestuur, Joodse massa-immigratie opgelegd.

In 1947-‘48 wilden de Palestijnen na 30 jaar Britse bezetting en ontzegging van hun rechten eindelijk wel eens zelfbeschikking en wezen ze een Joodse staat op hun grondgebied af. Dat recht hadden ze natuurlijk (zie vraag 6). De zionisten in Palestina hadden zich echter goed bewapend en georganiseerd en vestigden in 1948 hun staat op basis van militair geweld en massale etnische zuivering.

Palestijnse vluchtelingen in 1948

Niet alleen het Palestijnse recht op zelfbeschikking werd en wordt continu door het zionisme geschonden, ook het Palestijnse recht op “gelijke rechten”, ofwel gelijkwaardigheid. Israël een racistische onderneming noemen zit dus niet ver van de waarheid, en is zeker geen voorbeeld van iets inherent antisemitisch, zoals het IHRA-voorbeeld doet voorkomen.

Twee onwaarheden = omkering van waarden

Het IHRA-voorbeeld over zelfbeschikking is zonder twijfel haar meest controversiële voorbeeld. In feite suggereert het twee onwaarheden, 1) dat het Zionistische ideaal van een Joodse staat een recht is en als zodanig boven elke kritiek verheven, en 2) dat het belangrijker is dan de Palestijnse rechten op zelfbeschikking en gelijkwaardigheid. Samen resulteert dit in een omkering van waarden: een beginsel van gelijke rechten wordt verdraait tot een rechtvaardiging van etnische privileges. Bijvoorbeeld:

  • Volgens de culturele zionist Peter Beinart legitimeert het voorbeeld een pervers argument, nl. dat Joodse voorrechten okay zijn, maar gelijkwaardigheid voor Palestijnen niet.
  • Veel Palestijnen ervaren Israël als een racistisch project, maar niet zoals het IHRA-voorbeeld suggereert omdat ze het Joodse recht op zelfbeschikking ontkennen (en dus antisemitisch zijn), maar juist omdat Israël hún recht op zelfbeschikking onderdrukt.

Het principe van etnische privileges kan voor Diaspora-Joden juist gevaarlijk zijn.

De IHRA-definitie moedigt op bovenstaande drie manieren aan dat legitieme kritiek op Israël gemakkelijk als antisemitisme kan worden gezien. Bovendien draagt de breedheid en vaagheid van de kerndefinitie daar aan bij doordat zij deze valse beschuldigingen enerzijds faciliteert, en het anderzijds moeilijk maakt ze te weerleggen. De IHRA-definitie biedt de Israël-lobby daarmee de mogelijkheid om kritiek op Israël te proberen te onderdrukken met valse beschuldigingen van antisemitisme. Dit alles is geen toeval, maar het resultaat van ijverig lobbyen.

De IHRA-definitie heeft een eerder leven gehad als de definitie van het EUMC, het EU monitoring centrum racisme en xenofobie, die haar in 2005 op haar website publiceerde. De hoofdopsteller van deze EUMC-definitie is de Amerikaan Kenneth Stern van het American Jewish Committee, ofwel AJC. Hoe kan het dat een definitie van de EU opgesteld is door een Amerikaan van een Amerikaanse pro-Israël-organisatie?   

De EUMC-definitie en de rol van het AJC

De toenmalige directeur van de EUMC, Beate Winkler, werd op een gegeven moment door Andrew Baker van het AJC overtuigd om samen met Joodse experts een goede definitie van antisemitisme te formuleren. Al deze experts waren pro-Israël. De uiteindelijke versie van de definitie werd volgens Stern vastgesteld door vijf mensen, de directeur van het EUMC, drie mensen van het AJC en een van de Community Security Trust, een Britse pro-Israël organisatie. Deze definitie staat bekend als de EUMC-definitie en lijkt erg op de IHRA-definitie. Toen er kritiek op de EUMC-definitie kwam omdat die werd gebruikt om de vrijheid van meningsuiting te beperken zwakte Winkler de status ervan af als niet-officieel en onaf. De definitie stierf een zachte dood nadat de opvolger van het EUMC, de Fundamental Rights Agency, haar in 2013 van haar website verwijderd had.

De IHRA-definitie en de rol van het SWC

Dat was echter niet het einde van de definitie. Andrew Baker van het AJC probeerde de EUMC-definitie aan de man te brengen bij de OVSE, maar faalde. Mark Weitzman, van een andere Amerikaanse pro-Israël-organisatie, het Simon Wiesenthal Center, SWC, speelde het wel voor elkaar bij de IHRA. Hij kreeg een sleutelrol bij de IHRA als voorzitter van de Commissie Antisemitisme en Holocaustontkenning en wist vanuit die positie in samenwerking met het Roemeense voorzitterschap de IHRA-definitie er door te krijgen. Dit ging echter niet zonder slag of stoot, want er waren bezwaren tegen de voorbeelden. Pas nadat de definitie beperkt was tot de (nietszeggende) kerndefinitie en de voorbeelden eruit gehaald waren kon men de definitie er door loodsen. De voorbeelden kwamen er nog wel bij te staan, maar werden gedegradeerd tot voorbeelden “als leidraad voor de IHRA bij haar werk”. De IHRA bepaalde ook dat haar definitie “niet juridisch bindend” is.

Nu veel Israëlische hasbara (“uitleg”) is weerlegd door historici en achterhaald door feiten is de valse beschuldiging van antisemitisme de belangrijkste verdediging tegen legitieme kritiek op Israël geworden. Bijvoorbeeld het bovengenoemde SWC stelde in 2013 dat een EU-richtlijn tegen het financieren van onwettige Israëlische instituten in de bezette gebieden “deed denken aan de nazi-boycot van de Joden in de jaren dertig … die de opmaat was naar de Holocaust”. Enkele jaren later plaatste het SWC VN-veiligheidsraadresolutie 2334, die de bouw van Israëlische nederzettingen in bezet gebied veroordeelde, op nummer één in haar “Top Ten Antisemitic 2016”.

Structurele laster door Israël

Israël zelf doet het ook. Toen het Internationaal Strafhof in 2021 besloot dat onderzocht mocht worden of Israël het oorlogsrecht overtreden had noemde de Israëlische premier Netanyahu dit “de essentie van antisemitisme”. Toen in 2017 het goed onderbouwde VN-ESCWA rapport over Israëlische apartheid uitkwam reageerde Israël slechts door het rapport te vergelijking met “Der Stürmer”, een antisemitisch Nazi-blad. Een inhoudelijk weerwoord ontbrak. Naast antisemitisme-laster wordt ook de valse beschuldiging van banden met terrorisme vaak gebruikt. Het “Observatory for the Protection of Human Rights Defenders”, een organisatie onder auspiciën van o.a. de internationale federatie van mensenrechtenorganisaties, schreef een rapport over de niet aflatende Israëlische lastercampagnes om mensenrechtengroepen in diskrediet te brengen, en spreekt over een strategie om kritiek op Israël te koppelen aan antisemitisme of terrorisme. In 2021 verbood Israël zes Palestijnse maatschappelijke en mensenrechtenorganisaties vanwege vermeende banden met terrorisme. Amnesty International en Human Rights Watch noemden dit direct “een aanval op de internationale mensenrechtenbeweging”.

Laster in Nederland

Ook in Nederland verspreiden pro-Israëlische organisaties veel laster. Bijvoorbeeld toen het PvdA-congres in 2020 de IHRA-definitie afwees werd de PvdA door CIDI en NIW afgeschilderd als een broeinest van antisemitisme. Het NIW schreef zelfs: “In de PvdA geldt: we zijn dol op dode Joden, de levende mogen de zee in gedreven worden.” Ook waren er lastercampagnes tegen Sigrid Kaag en The Rights Forum. Op de website van The Rights Forum wordt het probleem regelmatig aangekaart (bijv. 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7 en 8). Een rapport van het European Legal Support Center (ELSC) toont aan dat de laster ook in Nederland veel voorkomt. Het “is gebaseerd op 76 incidenten van censuur, laster of het anderszins belasten van pro-Palestijns activisme die zich tussen 2015 en 2020 in Nederland hebben voltrokken, en waarover voldoende informatie en documentatie beschikbaar was.”

“De twee voornaamste langetermijneffecten die alle geregistreerde incidenten gemeen hebben, zijn intimidatie en zelfcensuur.”

“De primaire doelwitten … kwamen [allemaal] op voor Palestijnse rechten en pleitten ervoor Israël verantwoordelijk te houden voor zijn schendingen van het internationaal recht en de mensenrechten.”

”De beschuldigingen hebben er bovendien toe geleid dat de ruimte voor het publieke debat in Nederland over Israël en de Palestijnen is ingeperkt.”

De IHRA-definitie als wapen

Het rapport van het ELSC noemt de IHRA-definitie als een belangrijk instrument om laster kracht bij te zetten. De directeur van het ELSC, Giovanni Fassini, vertelt bijv. over juridische bijstand aan Britse studenten en academici over wie bij hun universiteit geklaagd was: “Meestal waren de beschuldigingen extreem vaag … [bijvoorbeeld] ‘dit [sociale media] bericht schendt de IHRA’, zonder verdere uitleg te geven.” Uiteindelijk werden al deze zaken geseponeerd, maar het laat wel zien hoe gemakkelijk de IHRA-definitie gebruikt kan worden om autoriteiten onder druk te zetten de vrijheid van meningsuiting inzake Israël/Palestina in te perken. In Nederland verbood de VU bijvoorbeeld in 2015 een debat dat kritisch was over Israël. Een belangrijke conclusie van het ELSC-rapport is dan ook “dat de gedocumenteerde incidenten een verstikkend effect hebben op de vrijheid van meningsuiting”.

De bezorgdheid dat de IHRA-definitie de vrijheid van meningsuiting bedreigt bestaat niet alleen onder pro-Palestijnse organisaties, maar wordt gedeeld door praktisch het hele spectrum van critici van de IHRA-definitie. Enerzijds zijn dat organisaties die zeer kritisch zijn over Israël, zoals vierenveertig Palestijnse maatschappelijke organisaties, het Amerikaanse Jewish Voice for Peace en het Nederlandse Een Ander Joods Geluid. Anderzijds zijn dat liberale zionisten zoals de hoofdopsteller van de definitie, Kenneth Stern, zionistische ondertekenaars van de Jeruzalem Declaratie, het grootste Joodse kerkgenootschap in de V.S. (liberale Joden), de centrale progressieve Israël-lobbyorganisatie in de V.S, J Street, en Americans for Peace Now.

Politieke bezorgdheid

Er is ook politieke bezorgdheid. Een Britse parlementaire commissie stelde in 2016 voor om ter wille van de bescherming van de vrijheid van meningsuiting bij de IHRA-definitie duidelijk aan te geven dat kritiek op Israël niet antisemitisch is tenzij daar aanvullend bewijs voor is. De VN-rapporteur voor vrijheid van godsdienst stelt dat “wanneer overheidsinstanties de definitie in een regelgevende context gebruiken, gepaste zorgvuldigheid moet worden betracht om ervoor te zorgen dat de vrijheid van meningsuiting binnen de wet voor iedereen wordt beschermd.”

Juridische bezorgdheid

De juridische opinies van Hugh Tomlinson, van Geoffrey Robertson, en een Zwitserse juridische evaluatie stellen dat de IHRA-definitie onduidelijk is en daardoor een bedreiging voor de vrijheid van meningsuiting vormt. Volgens Tomlinson kan het gebrek aan duidelijkheid en volledigheid van de IHRA-definitie “leiden tot willekeur in het toepassen ervan en een mogelijk afschrikwekkend effect op overheidsinstanties die, bij gebrek aan duidelijkheid over de definitie, elk gedrag dat door derden als antisemitisch wordt bestempeld, kunnen bestraffen of verbieden zonder een duidelijk beoordelingscriterium toe te passen.” Deze juridische opinies noemen ook de vrijheid van vergadering als slachtoffer. Het ELSC-rapport benoemt nog enkele andere onderdrukkende effecten, waaronder de inperking van de academische vrijheid

Zelfcensuur

Het effect op de vrijheid van meningsuiting is niet alleen onderdrukking van activisme voor Palestijnse rechten. De IHRA-definitie versterkt de continue dreiging van een valse beschuldiging van antisemitisme en heeft een afschrikwekkend effect op media en politici. Een beschuldiging van antisemitisme, ook al is die vals, kan het einde van de politieke carrière betekenen. Zij worden nog voorzichtiger met kritiek op Israël of in de berichtgeving over Israël en kunnen zelfcensuur toepassen. Het eerlijke debat over Palestijnse rechten en Israël/zionisme wordt daardoor onderdrukt, en het brede publiek blijft eenzijdig geïnformeerd.

De VVMU verdient bescherming

Nederlandse autoriteiten en bestuurders dienen zich aan de Nederlandse grondwet en aan het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) te houden, en dus de vrijheid van meningsuiting (art. 10) en de vrijheid van vergadering (art. 11) te respecteren en te beschermen. Deze vrijheden mogen niet zomaar beperkt worden. Beperkingen moeten voorzien in een dringende maatschappelijke behoefte en strikt proportioneel zijn. Zij mogen zeker niet onnodig breed en vaag geformuleerd zijn, zoals de IHRA-definitie. Hugh Tomlinson schrijft in zijn juridische opinie: “De IHRA-definitie zou niet mogen worden aangenomen zonder zorgvuldige aanvullende richtlijnen op dit gebied [i.e. VVMU]. … Artikel 10 [van het EVRM] verplicht … overheidsinstanties om maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat iedereen kan deelnemen aan openbare debatten, zelfs als hun meningen en ideeën beledigend of irriterend zijn voor het publiek of een gedeelte ervan.” Een bestuurlijke of juridische status voor de IHRA-definitie zonder extra waarborgen is dus in feite in strijd met het EVRM omdat beperkingen op de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vergadering goed gemotiveerd en duidelijk geformuleerd dienen te zijn.

Mensenrechten verdienen bescherming

Autoriteiten dienen zich ook bewust te zijn van twee zaken. Ten eerste verdient het opkomen voor (Palestijnse) mensenrechten juist extra bescherming. Een VN-resolutie hierover zegt:

“Iedereen heeft het recht om, individueel en in samenwerking met anderen, de bescherming en realisatie van mensenrechten en fundamentele vrijheden op nationaal en internationaal niveau, te bevorderen en na te streven.”

Een ander zeer relevant feit is dat het Europese Hof voor de Rechten van de Mens bepaald heeft dat het oproepen tot een boycot van goederen uit Israël wordt beschermd door het in het EVRM vastgelegde recht op vrijheid van meningsuiting en niet kan worden beschouwd als aanzetten tot discriminatie.

The right to boycot

Geen beschermende clausule

Vaak wordt gezegd dat de VVMU voldoende beschermd zou worden door de IHRA-zin “kritiek op Israël die vergelijkbaar is met kritiek tegen een ander land kan niet worden beschouwd als antisemitisch”. Deze zin is echter vaag en suggereert dat legitieme kritiek op Israël die verder gaat dan die op een doorsnee land juist niet mag. In plaats van beschermend voor de VVMU werkt deze zin dus eerder onderdrukkend.

Door kritiek op Israël te onderdrukken voorkomt men dat landen druk op Israël gaan uitoefenen, en kan de onderdrukking van de Palestijnen ongehinderd doorgaan. Volgens Jaap Hamburger wordt de IHRA-definitie “misbruikt om elke weerstand tegen Israëls bezettingsbeleid te diskwalificeren.” Jewish Voice for Peace schrijft: “Vergis je niet: [opname van] de IHRA-definitie in de wet gaat niet over Joodse veiligheid. Het enige dat het veilig stelt is straffeloosheid voor decennia van overtredingen van het internationaal recht en het vertrappen van Palestijnse mensenrechten.” Neve Gordon stelt dat de IHRA-definitie eigenlijk een “apartheid-mogelijk-makend instrument” is.

De discussie verschuift van twee staten naar Palestijnse mensenrechten

Kritiek op de bezetting onderdrukken is maar een deel van het verhaal. Op lange termijn bedreigender voor Israël als staat met voorrechten voor Joden is de toenemende roep om gelijkwaardigheid voor Palestijnen. Het vredesproces heeft alle geloofwaardigheid verloren. Steeds meer mensen vinden gelijkwaardigheid essentieel. De BDS-beweging, die Israël onder druk wil zetten om Palestijnse rechten (die praktisch neerkomen op gelijkwaardigheid) te erkennen en te respecteren, groeit en groeit. Het ene na het andere rapport over Israëlische apartheid verschijnt. Israël heeft geen inhoudelijk weerwoord op deze op feiten gebaseerde apartheids-beschuldigingen.

Israël wil geen gelijkwaardigheid voor Palestijnen

Tegen gelijkwaardigheid is het nog moeilijker inhoudelijk weerwoord te geven. Israël ziet deze “delegitimering” als een ernstige dreiging. Volgens het Israëlische Reut Instituut is Israëls positie “conceptueel inferieur” tegenover de “delegitimeerders” die “het principe van ‘one person, one vote’” willen. In 2007 waarschuwde de Israëlische premier Olmert:

“Als de dag komt dat de tweestatenoplossing ten onder gaat en we geconfronteerd worden met een Zuid-Afrika-achtige strijd voor gelijk stemrecht (ook voor Palestijnen in de bezette gebieden), zodra dat gebeurt, is de staat Israël geschiedenis”.

Choose Values, not Sides

Laster is de belangrijkste verdediging

Bij gebrek aan goede argumenten probeert men de verschuiving van het debat naar gelijkwaardigheid tegen te houden met valse beschuldigingen van antisemitisme. De IHRA-definitie is daarbij een belangrijk wapen.

Het meest gehoorde argument tegen de IHRA-definitie is het gevaar voor de vrijheid van meningsuiting, maar een goede tweede is dat men vindt dat de IHRA-definitie de strijd tegen antisemitisme niet helpt, maar eerder belemmert. Het Amerikaanse progressieve Israël-netwerk schrijft bijvoorbeeld dat het misbruik van de IHRA-definitie “de morele helderheid van de inspanningen antisemitisme te ontmantelen ondermijnt.”

Antisemitismebestrijding kan zonder IHRA-definitie

Het is natuurlijk niet zo dat tegenstanders van de IHRA-definitie tegen de bestrijding van antisemitisme zijn. De opsteller van de definitie Kenneth Stern zegt zelf:

“IHRA's fanatieke aanhangers zeggen vaak dat om antisemitisme te bestrijden, je het eerst moet definiëren. In mijn ogen is dat gewoon niet waar. Definities zijn handig voor gegevensverzamelaars, maar het is niet zo dat mensen niet tegen antisemitisme streden voordat de definitie meer dan 16 jaar geleden werd gecreëerd.”

Het gebruik van een definitie om uitingen te herkennen legt ook de nadruk op symptoombestrijding en gaat ten koste van aandacht voor oorzaken en ten koste van een preventieve aanpak. Bestrijd je antisemitische ideeën wel goed genoeg als je de focus zo sterk legt op het aanpakken van antisemitische personen? Tegenstanders van de IHRA-definitie vinden vaak dat je antisemitisme beter op een andere manier kunt bestrijden, en dat de IHRA-definitie die strijd juist hindert.

De IHRA-definitie is contraproductief

Er zijn legio argumenten dat de IHRA-definitie de strijd tegen antisemitisme niet helpt maar juist hindert:

  • De IHRA-definitie draagt niets bij aan de strijd tegen klassiek antisemitisme. Met haar zware nadruk op (vermeend) Israël-gerelateerd antisemitisme leidt zij de aandacht juist af van klassiek antisemitisme en antisemitisme van extreem rechts. Liberale Joden waarschuwen dat de IHRA-definitie “de aandacht niet mag afleiden van de meer voorkomende uitingen van antisemitisme, te vaak gewelddadig, voortkomend uit nieuwe stromingen in de haatgroepen … voornamelijk gerelateerd aan extreem rechts.“
  • Op links en ook onder critici van Israël komt antisemitisme zeker voor, maar de IHRA-definitie is ongeschikt om dit antisemitisme te herkennen (zie bijv. bij 4), laat staan het bestrijden.
  • Het gebruik van de IHRA-definitie en de valse beschuldiging van antisemitisme als wapen tegen legitieme kritiek op Israël ondermijnt de strijd tegen antisemitisme. Rabbi Alissa Wise maakt de vergelijking met “wolf roepen”: als je steeds “wolf” roept terwijl er geen wolf is loop je het gevaar dat niemand meer luistert als er wel echt een wolf verschijnt. Voormalig Knesset-voorzitter Avraham Burg:

“Hoe meer je de definitie van antisemitisme uitbreidt zodat bekrompen en bedrieglijke politiek er onder valt, of het ontzeggen van universele waarden en mensenrechten (aan Palestijnen), hoe meer je zelf antisemitisme ontkent en een geloofwaardige strijd er tegen ondermijnt.”

  • Een punt van kritiek is ook dat de IHRA-definitie geen link legt tussen de strijd tegen antisemitisme en die tegen andere vormen van racisme. Antony Lerman: “het zal Joden vervreemden van juist die groepen waarmee we zouden moeten samenwerken om racisme te bestrijden.”
  • Een ander kritiekpunt is dat de IHRA-definitie Joden te veel met Israël vereenzelvigt. Dit maakt het gemakkelijker dat vijandigheid tegen Israël vanwege haar gedrag over gaat in vijandigheid tegen Joden als onschuldige Joden, dus antisemitisme. Een Brits initiatief tegen de IHRA-definitie zegt:

“Het ten onrechte gelijkstellen van alle Joodse mensen met de staat of regering van Israël voedt in feite antisemitisme en brengt Joodse mensen in gevaar door hen te isoleren – en reduceert de uiteenlopende politieke overtuigingen van Joodse mensen tot stereotypen.”

  • Pikant maar veelzeggend detail is dat de manier waarop de IHRA-definitie het “beginsel van gelijke rechten en van zelfbeschikking van volken” verdraait tot een recht op een etnische staat (zie bij 5) helemaal niet spoort met de bestrijding van antisemitisme. Dat heeft juist belang bij een correcte interpretatie van het beginsel zodat Diaspora-staten geen etnische staten worden die hun Joodse burgers buiten kunnen sluiten. De strijd tegen antisemitisme is juist gebaat bij staten van “het hele volk … dat tot het grondgebied behoort, zonder onderscheid naar ras, geloof of huidskleur.”

Als ze maar ‘pro Israël’ zijn

In dit laatste detail doet de IHRA-definitie hetzelfde als wat zij in het algemeen doet: zij stelt de belangen van de Joodse staat boven de bestrijding van antisemitisme. Dit komt wel meer voor onder zionisten. Trump en Orbán laten zich wel eens antisemitisch uit, maar omdat ze zo pro-Israël zijn (of in elk geval doen) maakt Israël daar nooit een probleem van. Hetzelfde gold lange tijd voor Forum voor Democratie en Thierry Baudet in Nederland. Hella Rottenberg schreef in dat kader over CIDI en NIW: “Antisemitisme van rechtse en uiterst-rechtse medestanders wordt genegeerd, gebagatelliseerd of door de vingers gezien, als ze maar ‘pro Israël’ zijn.” Ook Chris de Ploeg beschrijft “hoe de Israël-lobby de strijd tegen antisemitisme ondermijnt”.

Terroristen, verraders en antisemieten

Hagai El-Ad, de directeur van de Israëlische mensenrechtenorganisatie B’Tselem zei over de Israëlische regering:

“Palestijnen die tegen de bezetting zijn, zijn terroristen, Israëli's die tegen de bezetting zijn, zijn verraders, en degenen in de internationale gemeenschap die tegen de bezetting zijn, zijn natuurlijk antisemitisch. […] De Israëlische regering is bereid de echte strijd tegen antisemitisme te ondermijnen om de bezetting te behouden met minimale repercussies van de internationale gemeenschap.”

De hoofdopsteller van de IHRA-definitie, Kenneth Stern schreef: “Ik ontwierp de definitie van antisemitisme, rechtse Joden maken er een wapen van”. Niet alle Joden staan vierkant achter de IHRA-definitie. In tegendeel. Velen zijn er faliekant tegen. De meningen over de IHRA-definitie verlopen vrijwel parallel aan de meningen over Israëls onderdrukking van de Palestijnen. Veel gevestigde Joodse organisaties steunen Israël bijna onvoorwaardelijk en steunen ook de IHRA-definitie. Joodse organisaties die gelijkwaardigheid van Joden en Palestijnen willen zijn er faliekant tegen. Bijvoorbeeld het Amerikaanse Jewish Voice for Peace is er “ondubbelzinnig tegen”, en het Nederlandse Een Ander Joods Geluid “wijst deze definitie principieel af”. De steun voor deze positie groeit snel, zo blijkt bijvoorbeeld uit een enquête in de zomer van 2021 dat een kwart van de Joodse kiezers in de V.S. Israël een apartheidsstaat vindt! Een tussenpositie wordt ingenomen door Joodse organisaties die kritisch zijn over Israël en de bezetting, maar nog wel duidelijk zionistisch zijn. Een voorbeeld is het Amerikaanse progressieve Israël-netwerk dat zich uitsprak tegen de codificatie van de IHRA-definitie.

Steun voor de IHRA-definitie is dus niet gerelateerd aan steun voor de strijd tegen antisemitisme, maar aan steun voor Israëls onderdrukking van de Palestijnen.

  • Een goede definitie is compleet en zo duidelijk mogelijk, maar de IHRA-definitie is incompleet en uiterst vaag (zie 1).
  • Een goede definitie van antisemitisme verwart kritiek op Israëls onderdrukking van de Palestijnen niet met antisemitisme (zie 2).
  • Een goede definitie van antisemitisme gebruikt geen brede en vage formuleringen die een groot grijs gebied van overlap tussen antisemitisme en kritiek op Israël creëren (zie 2).
  • Een goede definitie van antisemitisme is niet gebaseerd op verdraaiing en misleiding (zie 3, 4 en 5)
  • Een goede definitie van antisemitisme suggereert niet dat een koloniserende en onderdrukkende staat net zo onschuldig is als de slachtoffers van klassiek antisemitisme (zie 3)
  • Een goede definitie van Israël-gerelateerd antisemitisme is onpartijdig, en verdonkeremaant niet Israëls structurele onderdrukking van de Palestijnen (zie 4).
  • Een goede definitie van antisemitisme is gebaseerd op universele waarden, maar de IHRA-definitie plaatst juist een zionistisch ideaal boven Palestijnse rechten (zie 5).
  • Een goede definitie van antisemitisme verdraait niet een beginsel van gelijke rechten tot een rechtvaardiging van etnische privileges; iets wat voor Diaspora-Joden juist gevaarlijk kan zijn (zie 5).
  • Een goede definitie van antisemitisme is geen wapen van de Israël-lobby tegen de vrijheid van meningsuiting van critici (zie 6, 7 en 8).
  • Een goede definitie van antisemitisme beschermt mensenrechtenstrijders, maar de IHRA-definitie is een instrument om critici van Israëls mensenrechtenschendingen de mond te snoeren (zie 8).
  • Een goede definitie van antisemitisme helpt racisme te bestrijden in plaats van de onderdrukking van de Palestijnen te consolideren en een toekomst van gelijkwaardigheid te saboteren (zie 9).
  • Een goede definitie van antisemitisme maakt de bescherming van Joden niet ondergeschikt aan de bescherming van Joodse privileges in Israël/Palestina (zie 10).
  • Een goede vertaling probeert de betekenis van het origineel te behouden, maar de Nederlandse vertaling die de IHRA hanteert is veel restrictiever dan het Engelse origineel (zie vraag 3).
  • Een goede definitie van antisemitisme verdedigt niet een regime van Joodse voorrechten, maar is een waardevolle bouwsteen voor gelijkwaardigheid voor Joden en Palestijnen.

Conclusie: de IHRA-definitie is misleidend, strijdig met de wet, contraproductief, en vooral repressief

De IHRA-definitie werkt onderdrukkend voor Palestijnen, Palestijnse rechten en gelijkwaardigheid, en voor de vrijheid van meningsuiting (VVMU) daarover. Deze repressie wordt bereikt door verdraaiing en misleiding, en door middel van een brede en vage formulering die in strijd is met onze VVMU-wetten. Zij hindert bovendien de strijd tegen antisemitisme.

Repressie door middel van verdraaiing en misleiding

De IHRA-definitie verdonkeremaant wat het zionisme betekent voor Palestijnen. Eind 19e eeuw ontstond in Europa een nationalistische beweging die Palestina claimde als grondgebied voor een Joodse staat. Daar zijn de Palestijnen het slachtoffer van geworden. Hun land is grotendeels afgepakt en velen zijn tot vluchteling gemaakt. In de bezette gebieden worden Palestijnen structureel onderdrukt en in Israël worden ze structureel gediscrimineerd. Voor een goede beoordeling van kritiek of vijandigheid jegens Israël zijn dit essentiële feiten.

De IHRA-definitie doet echter alsof Israël een doorsnee land is en alsof kritiek erop die verder gaat dan die tegen een doorsnee land automatisch antisemitisme is. Ze doet alsof een koloniserende en onderdrukkende staat net zo onschuldig is als slachtoffers van klassiek antisemitisme. Zij verdraait het beginsel van “gelijke rechten en zelfbeschikking van volken” tot iets tegenovergestelds, een recht op etnische privileges (dat zeer gevaarlijk kan zijn voor Diaspora-Joden). Daarmee diskwalificeert zij zichzelf als een instrument om Israël-gerelateerd antisemitisme goed te kunnen beoordelen.

De IHRA-definitie is juist een instrument om de repressie van Palestijnen aan het zicht en aan kritiek te onttrekken, zodat deze repressie door kan gaan.

Krimpend gebied voor Palestijnen

Repressie door middel van een brede en vage formulering die in strijd met de wet is

De IHRA definitie blinkt uit in breedheid en vaagheid. De voorbeelden erbij omvatten een breed scala aan kritiek op Israël met de vage status van mogelijk antisemitisme die vaak wordt geïnterpreteerd als automatisch antisemitisme. Dit is duidelijk in conflict met de vrijheid van meningsuiting (VVMU). Bijvoorbeeld volgens minister Grapperhaus worden “een aantal voorbeelden dat de IHRA aandraagt … in beginsel beschermd … door de vrijheid van meningsuiting.”

Volgens Amnesty International komt men brede en vage formuleringen ook tegen in onderdrukkende wetten in landen als China en Qatar. Een brede en vage formulering beperkt de VVMU onnodig. Juridisch gezien dienen beperkingen op de VVMU goed gemotiveerd (dus niet te breed) en zo duidelijk mogelijk (dus niet te vaag) omschreven te zijn. De IHRA-definitie voldoet hier bij lange na niet aan. Een bestuurlijke status voor de IHRA-definitie (bijv. het “aannemen” ervan) is dus in strijd met de wetten die de VVMU beschermen. Dat zijn onze grondwet en het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).

Repressie van de vrijheid van meningsuiting (VVMU) als laatste verdediging

Steeds luider klinkt de roep om rechten en gelijkwaardigheid voor Palestijnen. Steeds dikker wordt de stapel apartheidsrapporten. Dialoog hierover, of er serieus op in gaan, is voor Israël geen optie omdat het Joodse voorrechten wil behouden. Repressie van kritiek, o.a. met het stigma van antisemitisme, moet het gebrek aan argumenten verhullen.

De IHRA-definitie is een product en een wapen van de Israël-lobby. Ze wordt gebruikt om kritiek op Israël te onderdrukken. Een rapport van het European Legal Support Center (ELSC) toont aan dat ook in Nederland mensen en organisaties die opkomen voor Palestijnse rechten veelvuldig door de Israël-lobby onder druk wordt gezet, o.a. met valse beschuldigingen van antisemitisme a.d.h.v. de IHRA-definitie.

Doordat een beschuldiging van antisemitisme, ook al is die vals, vaak een behoorlijke reputatieschade oplevert werkt de IHRA-definitie op verschillende manieren afschrikwekkend. 1) Mensen en organisaties gaan risico mijden en zelfcensuur toepassen, 2) de definitie nodigt uit tot valse beschuldigingen van antisemitisme, en 3) het stigma schrikt autoriteiten af om tegen deze valse beschuldigingen in te gaan. Als de IHRA-definitie ergens wordt “aangenomen” versterkt dat deze mechanismen van onderdrukking.

Contraproductief wapen tegen antisemitisme

Bestrijding van antisemitisme krijgt van Israël en zijn lobby geen prioriteit als het van “pro-Israël” zijde komt, zoals van Trump, Orban of Forum voor Democratie. Ook de IHRA-definitie maakt de strijd tegen antisemitisme, en daarmee de bescherming van Joden, ondergeschikt aan de bescherming van Joodse privileges in Israël/Palestina. Israël-gerelateerd antisemitisme kan met de IHRA-definitie niet herkend worden, en van de strijd tegen klassiek antisemitisme leidt zij de aandacht af.

Onder Joden is steun voor de IHRA-definitie dan ook niet gerelateerd aan steun voor de strijd tegen antisemitisme, maar wel aan steun voor Israëls Joodse privileges.

Repressie is niemands belang

Onderdrukking van Palestijnen is natuurlijk niet het doel van het zionisme, maar is wel het gevolg van haar echte doel, het stichten van een Joodse staat in historisch Palestina. Dit project is vastgelopen in structurele onderdrukking van de mensen die er al woonden. Hoe eerder er gelijkwaardigheid komt hoe beter. De IHRA-definitie zal dit niet tegenhouden, maar zal het drama wel onnodig verlengen.

Vrijheid van Meningsuiting of Censuur

Vragen en Antwoorden

Er zijn honderden verklaringen en artikelen tegen de IHRA-definitie verschenen. Om enkele voorbeelden te noemen:

  • de belangrijkste opsteller, Kenneth Stern vindt, in zijn verklaring voor het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden ( 2017), de IHRA-definitie een bedreiging voor de vrijheid van meningsuiting, en een bedreiging voor open en onderzoekend onderwijs over Joodse zaken.
  • meer dan 40 Joodse organisaties (juli 2018) vinden dat de IHRA-definitie zówel de Palestijnse roep om vrijheid, gerechtigheid en gelijkheid áls de mondiale strijd tegen het antisemitisme ondermijnt,
  • 122 Palestijnse en Arabische academici, journalisten en intellectuelen ( 2020, idem) vinden dat de strijd tegen antisemitisme niet mag worden omgezet in een list ter delegitimering van de strijd tegen de onderdrukking van de Palestijnen,
  • 44 Palestijnse maatschappelijke organisaties (aug 2018) zijn tegen de IHRA-definitie omdat deze probeert “de Palestijnse geschiedenis te wissen, solidariteit met de Palestijnse strijd voor vrijheid, gerechtigheid en gelijkheid te demoniseren, de vrijheid van meningsuiting te onderdrukken, en Israëls uiterst rechtse regime van bezetting, kolonisatie en apartheid te beschermen tegen effectieve stappen ter verantwoording in overeenstemming met het internationaal recht”,
  • meer dan 200 voornamelijk Joodse academici en intellectuelen menen in de Jerusalem Declaration on Antisemitism (mrt 2021) dat de IHRA-definitie onduidelijk is en schadelijk voor de vrijheid van meningsuiting en de strijd tegen antisemitisme, en stellen een alternatieve definitie voor die expliciet stelt dat het niet antisemitisch is om voor volledige gelijkwaardigheid voor alle inwoners "tussen de rivier en de zee" te zijn, zelfs als dat het einde van de Joodse meerderheid kan betekenen (als men bijvoorbeeld voor één democratische staat is),
  • 135 Israëlische academici in het VK en elders wijzen de IHRA-definitie sterk af ( 2021),
  • 127 Joodse intellectuelen spreken zich tegen het Franse parlement uit tegen de IHRA-definitie omdat deze een ongerechtvaardigde dubbele standaard creëert ten gunste van Israël en tegen de Palestijnen ( 2019),
  • Volgens de Raad van Palestijnse Mensenrechtenorganisaties mag de gerechtvaardigde strijd tegen antisemitisme niet leiden tot het onderdrukken van legitieme kritiek op Israël, noch de VVMU ondermijnen, noch het narratief en de strijd van het Palestijnse volk eroderen of compromitteren,
  • Independent Jewish Voices Canada maakte een video met vier redenen om de IHRA-definitie af te wijzen,

  • de juridische opinies van Hugh Tomlinson (mrt 2017) en Geoffrey Robertson ( 2018), de expert-opinie van Peter Ullrich (okt. 2018) en een juridische evaluatie voor de Zwitserse overheid (nov. 2020) stellen dat de IHRA-definitie onduidelijk is en daardoor een bedreiging voor de vrijheid van meningsuiting vormt,
  • volgens de expert-opinie van Peter Ullrich openen de zwakke punten van de IHRA-definitie de deur voor haar politieke instrumentalisering, zoals het in diskrediet brengen van tegenstanders, en heeft dit relevante implicaties voor fundamentele rechten,
  • volgens Rebecca Ruth Gould werkt de IHRA-definitie vooral door vertroebeling; vertroebeling van wat antisemitisme is (waardoor ruimte ontstaat voor valse beschuldigingen), en vertroebeling van de juridische status van de definitie (het “aannemen” van de IHRA-definitie geeft haar geen juridische status, maar kan wel consequenties hebben alsof zij wel een juridische heeft, bijv. voor hoe autoriteiten met de VVMU omgaan),
  • het grootste Joodse kerkgenootschap in de V.S., de Reform Movement/liberaal Jodendom ( 2021), en de centrale progressieve Israël-lobbyorganisatie in de V.S, J Street (dec. 2019), zijn tegen het gebruik van de IHRA-definitie op manieren die de vrijheid van meningsuiting inperken; in januari 2021 sprak het Amerikaanse progressieve Israël-netwerk zich gezamenlijk uit tegen de de IHRA-definitie als een wettelijk of bestuurlijk instrument,
  • het University College in Londen heeft de IHRA-definitie onderzocht en een uitgebreid rapport geschreven over haar geschiktheid als instrument voor het identificeren van antisemitisme aan universiteiten en het vervolgens zorgen voor rapportage en handhaving. De conclusie was dat de IHRA-definitie niet geschikt is en geen wettelijke basis voor handhaving biedt. Men had zorgen over het verwarren van antizionisme en antisemitisme, over de vrijheid van meningsuiting en over de academische vrijheid, en
  • in Nederland zijn verschillende artikelen tegen de IHRA-definitie verschenen zoals door The Rights Forum ( 2017, nov. 2018, sept 2019, feb 2020, okt 2020, juni 2021), Een Ander Joods Geluid (sept. 2018), BDS Nederland (sept. 2019, dec. 2020), Sai Englert (dec 2020), Jaap Hamburger (maart 2018, feb. 2019, maart 2019, okt. 2020, dec. 2020), Jan Maarten Hijmans (sept. 2019) en Adri Nieuwhof (nov. 2021). Ook een onderzoek naar de “shrinking space” voor pro-Palestijns activisme in Nederland wijst de IHRA-definitie af (okt. 2021).

In de database van Lara Friedman van FMEP staan honderden artikelen met bezwaren tegen de IHRA-definitie. Er zijn ook verschillende overzichten van de bezwaren tegen de definitie en andere relevante informatie, zoals van het Amerikaanse Palestine Legal, het Canadese Independent Jewish Voices en het Britse Free Speech On Israel en No IHRA definition.

De geschiedenis van de definitie en zijn voorganger, de EUMC-definitie, is te vinden in artikelen door Ben White (2012), Antony Lerman (2018) en vooral Jamie Stern-Weiner (2021).

De meest concrete adviezen vind je op de Britse website No IHRA definition. Ze geeft toolkits voor gemeenten en universiteiten. De eerste geeft een stappenplan voor o.a. het in gesprek komen met gemeenteraden als die onder druk gezet worden de IHRA-definitie aan te nemen. De tweede geeft aanwijzingen hoe in zo’n geval op universiteiten voorlichting, petities, persoonlijke verhalen/berichten, collectieve actie etc. gebruikt kunnen worden. Er is ook een toolkit van het Canadese No IHRA, maar die is meer gericht op argumenten dan op concrete acties om die argumenten naar voren te brengen. Daarnaast is er nog de algemene informatie op bovengenoemde websites en op Palestine Legal, en is er nog het ELSC-rapport “De mond gesnoerd, de ondermijning van pro-Palestijns activisme in Nederland”. Dit rapport raadt de IHRA-definitie af. Als autoriteiten toch het gevoel krijgen een definitie van antisemitisme te moeten onderschrijven dan is het advies goed onderzoek te doen, o.a. bij tegenstanders van de IHRA-definitie, en eventueel te kiezen voor de Jeruzalem Declaratie over Antisemitisme (JDA), die de vrijheid van meningsuiting niet bedreigt. 

Video Lancering No IHRA website UK

De IHRA-definitie is in het Engels aangenomen door de plenaire vergadering van de IHRA, en daarom is de Engelse versie gezaghebbend. Hieronder volgt een zo getrouw mogelijke vertaling daarvan. Daarna wordt er een vergelijking gemaakt met de tekst op de CIDI- (okt. 2021) en de Likoed-website (nov. 2021) en de Nederlandse vertaling die de IHRA hanteert, om te laten zien dat de IHRA-vertaling het origineel verdraait en restrictiever maakt.

De zo getrouw mogelijke vertaling van de IHRA-definitie:

In de geest van de Verklaring van Stockholm waarin staat: "Met de mensheid nog steeds getekend door ... antisemitisme en vreemdelingenhaat, deelt de internationale gemeenschap een plechtige verantwoordelijkheid om die kwaden te bestrijden" riep de Commissie voor Antisemitisme en Holocaustontkenning de IHRA-plenaire vergadering in Boedapest 2015 op om de volgende werkdefinitie van antisemitisme aan te nemen.

Op 26 mei 2016 heeft de plenaire vergadering in Boekarest besloten om:

De volgende niet-wettelijk bindende werkdefinitie van antisemitisme aan te nemen:

“Antisemitisme is een bepaald beeld van Joden, dat zich kan uiten als haat tegen Joden. Retorische en fysieke uitingen van antisemitisme worden gericht tegen Joden of niet-Joden en/of hun bezittingen, tegen instellingen van de Joodse Gemeenschap, en religieuze voorzieningen.”


Als leidraad voor de IHRA bij haar werk kunnen de volgende voorbeelden als illustratie dienen:

Uitingen kunnen ook gericht zijn tegen de staat Israël, opgevat als Joods collectief. Echter, kritiek op Israël die vergelijkbaar is met kritiek tegen een ander land kan niet worden beschouwd als antisemitisch. Antisemitisme wijst Joden aan als zondebok, en gaat vaak uit van het idee dat Joden deel zijn van een wereldwijde samenzwering, met als doel de mensheid schade toe te brengen of wereldheerschappij te verwerven. Antisemitisme uit zich in spraak, tekst, visuele vorm en in daden, waarbij gebruik wordt gemaakt van kwaadaardige stereotypes en negatieve karaktereigenschappen.

Hedendaagse voorbeelden van antisemitisme in het openbare leven, de media, scholen, de werkvloer en in de religieuze sfeer kunnen, rekening houdend met de algehele context, het volgende omvatten, maar zijn niet beperkt tot:

  • het oproepen tot, ondersteunen of rechtvaardigen van het vermoorden of letsel toebrengen aan Joden in naam van een radicale ideologie of een extremistische religieuze opvatting.
  • het uiten van leugenachtige, ontmenselijkende, demoniserende of stereotyperende beweringen over Joden in het algemeen of over de macht van Joden als collectief, - met name maar niet uitsluitend de mythe van een wereldwijde Joodse samenzwering, of van Joden die de macht hebben over de media, de economie, de regering of andere instellingen binnen de samenleving.
  • het beschuldigen van Joden dat zij als volk verantwoordelijk zijn voor echte of ingebeelde wandaden gepleegd door één Joodse persoon of groep, of zelfs voor daden gepleegd door niet-Joden.
  • Ontkenning van het feit, de omvang, de mechanismen (bijv. gaskamers) of de opzettelijkheid van de genocide op het Joodse volk door nationaalsocialistisch Duitsland en haar aanhangers en handlangers tijdens de Tweede Wereldoorlog (de Holocaust).
  • De Joden als volk, of Israël als staat, beschuldigen van het uitvinden of overdrijven van de Holocaust.
  • Het beschuldigen van Joodse burgers dat hun loyaliteit meer ligt bij de staat Israël of bij de beweerde prioriteiten van Joden wereldwijd, dan bij de belangen van hun eigen land.
  • Het Joodse volk haar recht op zelfbeschikking ontzeggen, bijvoorbeeld door te stellen dat het bestaan van een staat Israël een racistische onderneming is.
  • Het hanteren van dubbele standaarden door er gedrag van te verlangen dat niet verwacht of geëist wordt van enige andere democratische natie.
  • Gebruik van de symbolen en afbeeldingen verbonden met klassiek antisemitisme (bijv., beweringen dat Joden Jezus doodden of bloedsprookjes) om Israël of Israëli's te karakteriseren.
  • Vergelijkingen trekken tussen het hedendaags Israëlische beleid en dat van de Nazi’s.
  • Joden collectief verantwoordelijk houden voor daden van de staat Israël.

Antisemitische daden zijn crimineel als deze als zodanig zijn gedefinieerd in de wet (zoals de ontkenning van de Holocaust of het verspreiden van antisemitisch materiaal in sommige landen).

Criminele daden zijn antisemitisch als de doelwitten van aanvallen, of het nu mensen of bezittingen zijn - zoals gebouwen, scholen, gebedsplaatsen en begraafplaatsen - gekozen zijn omdat ze Joods zijn, of zo gezien worden, of verbonden zijn aan Joden.

Antisemitische discriminatie is het Joden ontzeggen van mogelijkheden of diensten die wel beschikbaar zijn voor anderen, en is in veel landen verboden.


Merkwaardige afwijkingen in de Nederlandse vertaling die de IHRA hanteert

Er zijn twee belangrijke verschillen die de conditionaliteit, die in het origineel duidelijk aanwezig is, zwaar aantasten. De IHRA-definitie wordt daardoor in het Nederlands veel restrictiever voor de vrijheid van meningsuiting dan het Engelse origineel.

De eerste afwijking in de IHRA-vertaling maakt “mogelijk antisemitisme” tot “altijd antisemitisme”. Door “might/kunnen” te vervangen door “is” worden “uitingen tegen de staat Israël, opgevat als Joods collectief" ineens altijd antisemitisch, i.p.v. mogelijk antisemitisch. 

  • E: Manifestations might include the targeting of the state of Israel, conceived as a Jewish collectivity.
  • NL: Uitingen kunnen ook gericht zijn tegen de staat Israël, opgevat als Joods collectief.
  • CIDI: Deze uitingen kunnen daarbij ook gericht zijn tegen de staat Israël, die wordt gezien als Joods collectief.
  • Likoed: Dergelijke uitingen kunnen zich ook richten tegen de staat Israël, beschreven als Joods collectief.
  • IHRA: Er is bijvoorbeeld sprake van een uiting van antisemitisme wanneer de Staat Israël, opgevat als een Joods collectief gegeven, in het vizier wordt genomen.


De tweede afwijking in de IHRA-vertaling maakt “mogelijk antisemitisme” ook veel meer tot “altijd antisemitisme” door weg te laten dat de voorbeelden altijd gezien moeten worden in de algehele context om te beoordelen of ze wel of geen antisemitisme zijn:

  • E: Contemporary examples of antisemitism … could, taking into account the overall context, include, but are not limited to:
  • NL: Hedendaagse voorbeelden van antisemitisme … kunnen, rekening houdend met de algehele context, het volgende omvatten, maar zijn niet beperkt tot:
  • CIDI: Hedendaagse voorbeelden van antisemitisme … kunnen, de context in overweging genomen, het volgende omvatten, maar zijn niet beperkt tot:
  • Likoed: Hedendaagse voorbeelden van antisemitisme … – rekening houdend met de algemene context – kunnen omvatten, maar zijn niet beperkt tot:
  • IHRA: De gedaante die antisemitisme tegenwoordig aanneemt … kan algemeen beschouwd neerkomen op – maar is niet beperkt tot – de volgende voorbeelden:


Er is een lange, groeiende, lijst met rapporten die Israël van apartheid beschuldigen:

  • John Dugard (2007)
  • Badil (2008)
  • Palestijnse BNC (2008)
  • HSRC (2009)
  • Russell Tribunal on Palestine (2011)
  • VN-ESCWA (2017)
  • VN-CERD (o.a. Al Haq) (2019)
  • Yesh Din (2020)
  • B’Tselem (2021)
  • Human Rights Watch (2021)

The Crime of Apartheid

Zie ook op deze website:

Goede uitleg door Al Jazeera

Webinars: Yesh Din, IJV Canada, The question of Apartheid 1, 2, 3


Veel voorbeelden met Israël zijn niet altijd antisemitisme. In de context van kolonisatie en bezetting zijn er vele redenen tot vijandigheid jegens Israël, en liggen andere redenen dan antisemitisme vaak net zo goed of zelfs veel meer voor de hand. Hieronder wordt de inschatting van drie juridische rapporten en van een expert-opinie samengevat.  

Vier voorbeelden zijn automatisch antisemitisch

Volgens Peter Ullrich zijn een aantal van de voorbeelden (zie de lijst bij vraag 3), de eerste vijf en de laatste, voorbeelden van wat altijd antisemitisme is, maar zijn de andere vijf voorbeelden, die allemaal met Israël te maken hebben, slechts voorbeelden van wat “afhankelijk van de context” antisemitisme kan zijn. De juridische analyses van Hertig Randall en Imbeck en van Robertson geven net als Ullrich aan dat de voorbeelden 6, 7, 8 en 10 alleen antisemitisch zijn als dat uit de context blijkt. Volgens de Zwitsers is voorbeeld 11 dat ook, en volgens Robertson voorbeeld 2 ook. Deze experts zijn het er dus over eens dat vier voorbeelden altijd antisemitisme zijn (1, 3, 4, en 5), en dat vier voorbeelden (6, 7, 8, en 10) zeker niet automatisch antisemitisme zijn. Drie voorbeelden (2, 9 en 11) zijn ze het niet over eens.

Waarom niet automatisch antisemitisch?

Ter illustratie de toelichting die Hugh Tomlinson in zijn juridische opinie (§9-10) geeft op de interpretatie van voorbeelden 6 en 7:

  • Joodse burgers ervan beschuldigen loyaler te zijn aan Israël, of aan de vermeende prioriteiten van Joden wereldwijd, dan aan de belangen van hun eigen naties”. Dit moet worden gelezen in het licht van de definitie. Zo'n beschuldiging zou alleen antisemitisch zijn als zij werd ingegeven door haat tegen joden. Als de beschuldiging bijvoorbeeld was ingegeven door een redelijke overtuiging dat een bepaalde Joodse burger of een groep burgers door hun woorden of daden had laten zien dat hun loyaliteit aan Israël groter was dan hun loyaliteit aan hun eigen natie, dan kon de beschuldiging niet naar behoren als antisemitisch beschouwd worden.
  • Het Joodse volk haar recht op zelfbeschikking ontzeggen, bijvoorbeeld door te beweren dat het bestaan ​​van een staat Israël een racistische onderneming is”. Dit moet, wederom, worden gelezen in het licht van de definitie. Een ontkenning van een Joods zelfbeschikkingsrecht zou het resultaat kunnen zijn van een bepaalde analyse van de aard van het Joodse volk (ingegeven door bijvoorbeeld religieuze overwegingen) die niets te maken had met de “haat tegen Joden”. Bovendien, tenzij zo’n bewering is ingegeven door haat tegen Joden, zou het niet antisemitisch zijn om te beweren dat, aangezien Israël zichzelf definieert als een Joodse staat en daardoor op basis van ras, en omdat niet-Joodse Israëli's en niet-Joden onder haar jurisdictie worden gediscrimineerd, de staat Israël momenteel een racistische onderneming is.”

Volgens het “beginsel van gelijke rechten en van zelfbeschikking voor volken” in het VN-Handvest hadden de inwoners van Palestina recht op zelfbeschikking en kon de Algemene Vergadering hen niet tegen hun wil een Joodse staat in Palestina opleggen. Het kernwoord in VN-resolutie 181 is dan ook “recommends”, ofwel “beveelt aan”. De internationale gemeenschap onder aanvoering van de V.S. wilde een Joodse staat in het grootste deel van Palestina, maar de Palestijnen wilden het niet. In maart 1948 krabbelde de VS terug en stelde het een tijdelijk trustschap voor “zonder oordeel over het karakter van de uiteindelijke politieke regeling” (1).

250.000 Palestijnse vluchtelingen

Rond diezelfde tijd gingen de zionisten in Palestina onder leiding van David Ben-Goerion over tot de implementatie van Plan Dalet, dat neerkwam op het veroveren van zo veel mogelijk grondgebied en het systematisch verjagen van Palestijnen. Halverwege mei 1948 waren er, voornamelijk door het zionistische militaire geweld, al meer dan 250.000 Palestijnse vluchtelingen. De Arabische Liga besloot in te grijpen om de orde te herstellen, te zorgen dat Palestijnse vluchtelingen terug konden keren, en om het Palestijnse recht op zelfbeschikking te beschermen. Zij verklaarde:

“… de enige eerlijke en rechtvaardige oplossing voor het probleem van Palestina is de oprichting van een Verenigde Staat van Palestina, gebaseerd op de democratische principes die al haar inwoners in staat zullen stellen gelijkheid voor de wet te genieten, en die alle minderheden de waarborgen zou garanderen die in alle democratische rechtsstaten worden geboden ….”

Verovering en verjaging kregen prioriteit

Militair waren de zionisten echter de baas. Het Palestijnse verzet was grotendeels al gebroken door de Britten tijdens de Palestijnse opstand eind jaren dertig. De jonge Arabische staten hadden geen sterke legers, noch werkten zij goed samen. Het enige goed georganiseerde Arabische leger, het Arabische Legioen, beperkte zich tot verdediging van de Westelijke Jordaanoever om die bij Trans-Jordanië in te lijven. De Zionisten waren daarentegen goed georganiseerd. Het arbeiders-zionisme had een soort staat in de staat gecreëerd. Ze hadden continu een numerieke meerderheid, en er was slechts een korte periode in mei/juni 1948 dat zij in het nadeel waren qua zware wapens. De uitkomst van de oorlog was dus voorspelbaar. Ben-Goerion maakte de verdediging tegen aanvallen vanuit Egypte en Syrië ondergeschikt aan andere doelen door zijn troepen in te zetten om gebied rond Jeruzalem te veroveren (waar het Arabische Legioen zich verdedigde) en door ze in te zetten voor verdere etnische zuiveringen van Palestijnen, terwijl die eigenlijk al verslagen waren.

Etnische zuivering was ingebouwd in het zionisme

De Palestijnen noemen dit Al Nakba, de ramp. Uiteindelijk maakten de zionisten zo’n 750.000 mensen tot vluchteling, meer dan de helft van de Palestijnen, en ongeveer vijf op de zes Palestijnen van binnen de Groene Lijn. De Westelijke Jordaanoever hield stand tegen de zionisten. De Israëliër Benny Morris, een van de bekendste historici van de Nakba, betreurde dat Ben-Goerion het karwei niet af gemaakt had door het hele gebied tot aan de Jordaan etnisch te zuiveren. Hij schrijft over de etnische zuiveringen (2):

“verplaatsing was onvermijdelijk en ingebouwd in het zionisme - omdat het een land dat 'Arabisch' was, wilde transformeren in een 'Joodse' staat en een Joodse staat niet had kunnen ontstaan zonder een grote verplaatsing van de Arabische bevolking; en omdat dit doel automatisch weerstand opriep onder de Arabieren, wat op haar beurt de leiders van de Jisjoev ervan overtuigde dat een vijandige Arabische meerderheid of grote minderheid niet op haar plek kon blijven als een Joodse staat moest ontstaan of veilig bestaan.”

In het eerste deel is Morris’ oordeel recht door zee: een Joodse staat in Palestina was onmogelijk zonder grootschalige etnische zuivering, en dit (en niet antisemitisme) veroorzaakte Arabische en Palestijnse vijandigheid. In het tweede deel vertroebelt hij de zaak: hij probeert de slachtoffers de schuld te geven.

Bronnen

(1) Benny Morris, “1948, The first Arab-Israeli War”, Yale University Press, 2008, p. 114-5

(2) Benny Morris, “The Birth of the Palestinian Refugee Problem Revisited, Cambridge University Press, 2004, p. 60

Ilan Pappé, “The Ethnic cleansing of Palestine”, Oneworld, 2006

Walid Khalidi, “Plan Dalet: Master Plan for the Conquest of Palestine”, J. Palestine Studies, 18, no. 1 (1988)

David Tal, “War in Palestine 1948 – strategy and diplomacy”, Routledge, 2004

Er zijn heel veel voorbeelden van misbruik van de IHRA-definitie, en ook van misbruik van haar voorganger, de EUMC-definitie.

Misbruik van de EUMC-definitie

In zijn geschreven getuigenis voor het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden geeft Kenneth Stern, de hoofd-opsteller van de definitie, drie voorbeelden van de inperking van de vrijheid van meningsuiting in het Verenigd Koninkrijk op basis van de EUMC-definitie, de voorloper van de IHRA-definitie:

“De "werkdefinitie" van het EUMC is onlangs in het Verenigd Koninkrijk aangenomen en toegepast op universiteiten. Een "Israël Apartheid Week" activiteit werd afgelast omdat zij in strijd zou zijn met de definitie. Een Holocaust-overlevende moest de titel van zijn lezing aanpassen, en de universiteit gaf opdracht de lezing op te nemen, nadat een Israëlische diplomaat had geklaagd dat de titel in strijd was met de definitie. Misschien wel het meest flagrante, een groep van buiten riep, op basis van de definitie, een universiteit op om een onderzoek in te stellen naar een professor … wegens antisemitisme, gebaseerd op een artikel dat ze jaren eerder had geschreven. De universiteit voerde toen het onderzoek uit. En hoewel men uiteindelijk geen reden vond om de professor te straffen, was de oefening zelf afschrikwekkend en McCarthy-achtig.”

Misbruik in Nederland

The Rights Forum zette vele voorbeelden, waaronder een aantal in Nederland, op een rij. Een opvallende overeenkomst tussen de gevallen van valse beschuldiging van antisemitisme is dat zij bijna allemaal gericht zijn op personen of organisaties die opkomen voor Palestijnse rechten.

Begin 2020 twitterde CIDI-directeur Hanna Luden een “illustratie van waarom IHRA-definitie nodig is”. Het ging over drie protestborden die Israël aanvielen, maar die wel onder de vrijheid van meningsuiting vielen, en die niks met antisemitisme te maken hadden. Kennelijk vindt ze de IHRA-definitie nodig om legitieme kritiek op Israël te onderdrukken.

“De kerk mag niet zwijgen, maar moet getuigen”

Begin 2019 ging het CIDI ook al over de schreef door predikant Chris Kors te betichten van antisemitisme “volgens de IHRA-werkdefinitie” omdat hij een “parallel tussen WOII en de situatie in de Palestijnse gebieden” zou hebben getrokken. De IHRA-definitie stelt echter dat haar voorbeelden van mogelijk antisemitisme altijd in de context beoordeeld dienen te worden, en in dit geval was er niks in de context dat op antisemitisme wees. Het ging om de uitspraak “Dominee Borgers heeft zich tijdens de Tweede Wereldoorlog duidelijk uitgesproken over de misstanden in die tijd. De kerk mag niet zwijgen, maar moet getuigen”.

De CIDI jongerenorganisatie beschuldigde Adri Nieuwhof van antisemitisme volgens de IHRA-definitie omdat ze Holocaust-overlevende Hayo Meijer citeerde, die sprak over “Israeli Nazis”. Weer werd de context genegeerd: niet Nieuwhof, maar Meijer had de vergelijking gemaakt, en Meijer had dat niet gedaan omdat Israël Joods is, maar omdat het Palestijnen onderdrukt en vernedert.

Likoed Nederland beschuldigde de FNV van antisemitisme volgens de IHRA-definitie omdat de FNV het VN-ESCWA rapport over Israëlische apartheid serieus nam.

Serieovertreder NGO-monitor

Een serie-overtreder is NGO-monitor, een organisatie die kritiek op Israëls onderdrukking van Palestijnen probeert te onderdrukken. Volgens een rapport van de Israëlische Policy Working Group heeft NGO monitor een intrinsieke ideologische vooringenomenheid, doet het ondeugdelijk onderzoek, en gebruikt het smerige tactieken. NGO monitor heeft een hele reeks organisaties beschuldigd van antisemitisme op basis van de IHRA-definitie, bijvoorbeeld Human Rights Watch, de Algemene Vergadering en de Mensenrechtenraad van de VN, Pax Christie Vlaanderen en de Wereldraad van Kerken. NGO-monitor beschuldigt ook de Nederlandse overheid (en ook de EU en andere Europese landen) van het financieren van Palestijnse organisaties die antisemitisme “zoals gedefinieerd door de IHRA” zouden promoten.  

Het NIW, het Nieuw Israëlitisch Weekblad, bericht dat Unilever op basis van de IHRA-definitie wordt beschuldigd van antisemitisme omdat het weigert Ben & Jerry’s ijsjes te verkopen in de bezette Palestijnse Gebieden. Ben en Jerry zijn zelf Joods, en staan achter de boycot.

Het NIW beschuldigt ook GroenLinks van antisemitisme:

“Als voorbeeld van Jodenhaat noemt de IHRA ‘het gebruik van dubbele standaarden door van [Israël] gedrag te verlangen dat niet wordt verwacht of geëist van enige ander democratisch land’. Het mag duidelijk zijn dat dit precies is wat de partij keer op keer doet.”

“BDS en apartheidsbeschuldigingen zijn antisemitisch”

De CIDI website geeft ruimte aan een opinieartikel waarin beweert wordt dat “de BDS beweging en de claim dat de Joodse staat Israël een racistische ‘apartheidsstaat’ is … vormen van antisemitisme [zijn] zoals o.a. gedefinieerd door de International Holocaust Remembrance Association (IHRA).” De BDS-beweging is een door Palestijnen geleide beweging die op vreedzame wijze opkomt voor Palestijnse mensenrechten. Palestijnse rechten zijn natuurlijk niet antisemitisch. Mensenrechten zijn het waard om voor op te komen, en diegenen die dat doen dienen juist beschermd te worden. Apartheidsbeschuldigingen jegens Israël worden o.a. geuit en goed onderbouwd door mensenrechtenorganisaties zoals al Haq, Yesh Din, B’Tselem en Human Rights Watch. Er is geen enkele reden om aan te nemen dat dit ook maar iets met antisemitisme te maken heeft. Het is natuurlijk zeer kwalijk dat het CIDI ruimte geeft om kritiek op systematische mensenrechtenschendingen door Israël m.b.v. de IHRA-definitie als antisemitisme weg te zetten.   

Misbruik in het buitenland

Er zijn talrijke voorbeelden van misbruik van de IHRA-definitie in het buitenland. We volstaan hier met twee voorbeelden, en met de verwijzing naar het overzicht van 40 voorbeelden gemaakt door Independent Jewish Voices Canada.

ELNET, een organisatie voor goede relaties tussen Israël en Europa, beschuldigde het Europese Hof van Justitie en de EU van het overtreden van de IHRA-definitie omdat het besliste dat de herkomst van produkten uit de Israëlische nederzettingen in de bezette gebieden als zodanig gelabeld moest worden, zodat consumenten een geïnformeerde keuze konden maken.

Vage beschuldigingen

Het tweede voorbeeld is een voorbeeld van het ontzeggen van faciliteiten vanwege valse beschuldigingen. Dit voorbeeld bij de universiteit van Winnipeg is uitgebreid beschreven. Tegen een bijeenkomst over verplaatsing van de Amerikaanse ambassade naar Jeruzalem werden antisemitisme-klachten ingediend. Drie concrete beschuldigingen van antisemitisme die in een brief aan de universiteit genoemd werden bleken te berusten op het verdraaien en uit hun verband rukken van citaten. De functionaris voor mensenrechten en gelijkheid van de universiteit onderzocht na de bijeenkomst wat er allemaal gezegd was en concludeerde dat “bepaalde uitspraken gedaan op de bijeenkomst als antisemitisch konden worden gezien onder de [IHRA-] definitie.” Toen gevraagd werd welke uitspraken precies weigerde hij te antwoorden. De universiteit concludeerde desalniettemin dat er antisemitische uitspraken waren gedaan en weigerde een volgende bijeenkomst van dezelfde organisatie te faciliteren. De opname van de bijeenkomst die gewoon alleen maar kritisch was over Israël is hier te zien.

Voordat het EUMC door de Israël-lobby benaderd werd had het in 2003 onderzocht wat een goede definitie van antisemitisme is (p. 12):

“Als we zoeken naar overeenkomsten tussen verschillende benaderingen om antisemitisme te definiëren, vinden we twee terugkerende aspecten: Ten eerste verwijzen bijna alle definities van antisemitisme naar vijandige houdingen en/of activiteiten jegens Joden; Ten tweede bevat een aanzienlijk aantal definities de aanvullende opmerking dat de vijandigheid is gericht tegen Joden “als Joden”, of tegen Joden “omdat ze Joden zijn”, of tegen Joden “vanwege hun feitelijke of vermeende religieuze of raciale achtergrond of identificatie”.

Het is het tweede aspect dat in feite het belangrijkste uitgangspunt is voor een nauwkeurige definitie en identificatie van antisemitisme. Pas als de opmerking "als Joden" wordt toegevoegd, komen we tot de fundamentele conclusie dat men alleen van antisemitisme kan spreken, als Joden (of niet-Joden) worden aangevallen omdat ze Joden zijn (of zo gepercipieerd worden).

Voor klassiek antisemitisme is “vijandigheid jegens Joden als Joden” een goede definitie van antisemitisme omdat “als Joden” dan verwijst naar afkomst of religie; twee aspecten die onschuldig zijn in relatie tot de vijandigheid. Israël “als Joodse staat” is daarentegen niet automatisch onschuldig in relatie tot vijandigheid omdat de vijandigheid ook veroorzaakt kan zijn door Israëls eigen (vijandige) gedrag. Als de vijandigheid een onschuldig Joods aspect betreft is er inderdaad sprake van antisemitisme, maar als dat niet zo is is er ook geen sprake van antisemitisme. Scherper geformuleerd: “antisemitisme is vijandigheid jegens Joden als onschuldige Joden”.

Antisemitisme ontmantelen

In navolging van de IHRA- of EUMC-definitie hebben enkele nieuwe definities van antisemitisme er nu allerlei voorbeelden bij. Voorbeelden zijn de Jeruzalem Declaratie en de definitie van Independent Jewish Voices Canada. Britse critici van de IHRA-definitie leggen minder nadruk op de precieze definitie (ze geven er wel een) en meer op het begrijpen ervan om het goed te kunnen bestrijden. Het Amerikaanse Jewish Voice for Peace geeft vijf principes om antisemitisme te ontmantelen en vind dat belangrijker dan de precieze definitie:

  • Verbindt de strijd tegen antisemitisme met de strijd tegen andere vormen van onderdrukking.
  • Confronteer politieke ideologieën die racisme, haat en angst aanwakkeren.
  • Creëer omgevingen die alle uitingen van cultureel en religieus leven bekrachtigen en vieren.
  • Maak van het ongedaan maken van alle vormen van racisme en onverdraagzaamheid zowel beleid als dagelijkse praktijk.
  • Kies voor veiligheid door solidariteit, niet door wetshandhaving.

Wat de voorstanders van Palestijnse rechten allemaal belangrijk vinden zijn universele waarden en de verbinding van de strijd tegen antisemitisme met de strijd tegen alle vormen van onderdrukking, intolerantie en racisme, zoals die tegen moslims, gekleurde mensen, inheemse mensen en LHBTIQ+.

De Jeruzalem Declaratie

De Jeruzalem Declaratie is opgesteld door honderden voornamelijk joodse wetenschappers en is daarom het meest gezaghebbend. Het is een compromis tussen voorstanders van Palestijnse rechten en linkse zionisten die elkaar vonden in hun kritiek op de IHRA-definitie.

Deze definitie beschermt de vrijheid van meningsuiting van legitieme critici van Israël, maar blijft een aantal nadelen houden. Zo blijft zij Palestijnen continu langs de morele maatlat van antisemitisme leggen, terwijl zij omslachtig vermijdt gewoon ronduit te zeggen dat Israël vijandigheid oproept door Palestijnen te onderdrukken. Zij vermijdt ook dat Israël, analoog aan de Palestijnen, langs de morele maatlat van anti-Palestijns racisme gelegd wordt. Ook behandelt zij Palestijnse gezichtspunten oriëntalistisch, d.w.z. als overdreven, emotioneel, onredelijk en omstreden, en zionistische gezichtspunten daarentegen als evenwichtig en rationeel. Ten slotte blijft zij de aandacht afleiden van het gevaarlijke antisemitisme van extreem rechts.

De Jeruzalem Declaratie is dus acceptabel voor zover het de vrijheid van meningsuiting betreft, maar zeker niet ideaal als het om gelijkwaardigheid of om het daadwerkelijk bestrijden van antisemitisme gaat.

Reageren?

Gebruik onderstaande contactformulier o.v.v. “IHRA-definitie”.

BDS Nederland op Twitter